Richtlijnen kunstgrasveld

Algemene regels

  1. Betreding van het veld alleen via looppoorten en schoonloopmatten. Niet over de hekken klimmen. Toegang alleen met schone voetbalschoenen voorzien van kunststofnoppen. Metalen noppen zijn niet toegestaan.
  2. Toegang alleen voor voetballers, leiders, coaches, trainers en wedstrijdofficials. Ouders, supporters, overig publiek en ook huisdieren behoren achter de speelveldomheining.
  3. Geen etenswaren, kauwgom of dranken op de speelvelden. Bidons zijn toegestaan. Flesje sportdrank niet.
  4. Geen glaswerk op de speelvelden.
  5. Roken op de speelvelden is absoluut verboden. Dit geldt ook voor de dug-outs.
  6. Verplaatsbare doelen mogen niet gesleept of geduwd worden (optillen). Doelen voorzien van wieltjes mogen wel gereden worden. De doelen worden na gebruik opgeruimd op de daarvoor bestemde plaatsen. Verplaatsbare doelen niet over het hekwerk tillen maar door de toegangspoorten het veld op/af dragen.
  7. Tijdens wedstrijden mogen geen verplaatsbare doelen in de uitloopstroken staan.
  8. Het is niet toegestaan om met opzet cq. bewust tegen de omheining te schieten.
  9. Spugen op de kunstgrasvelden is een zeer onhygiënische bezigheid en nadrukkelijk wordt een ieder verzocht dit na te laten.
  10. De vereniging behoudt zich het recht voor om schade te verhalen. 
    Buiten de reguliere trainingen en wedstrijden mogen leden alleen gebruik maken van het kunstgrasveld onder toezicht van een leider, trainer of bestuurslid van vv Gendringen.

 

Gebruik van veld 1 - Het kunstgrasveld van ons allemaal.

Kunstgras is minder gevoelig voor weersinvloeden en ook sterker dan een grasveld. Daarom kunnen we het veld vaker en langer gebruiken. Maar, een kunstgrasveld slijt wel.

Vandaar dat we een aantal afspraken maken met elkaar:

  1. Zorg voor afwisseling bij het gebruiken van het veld. Vaste patronen/spelletjes/warming up kun je telkens op een ander deel van het veld doen.
  2. Oefeningen die de mat zwaar belasten (bijv. een sprint-draaioefening) kun je ook langs de zijlijn doen. 
  3. Doelen worden voor de training van de opstelplaats gehaald en na de training weer op de daarvoor bestemde plaats gezet.
  4. Doelen worden verplaatst door ze te rollen over de wielen of te dragen; niet slepen. De trainer is verantwoordelijk voor de wijze waarop spelers met het materiaal omgaan.
  5. Trainers dragen tijdens de training schoenen met noppen.

Omdat het zestien meter gebied het meest kwetsbaar is:

  1. gaan we niet afwerken op een vast doel, maar zetten we een verplaatsbaar doel buiten het 16-metergebied tijdens een afwerkoefening.
  2. Wordt er geen keeperstraining in het 16-metergebied afgewerkt.
  3. Gebruiken we bij een grote partij alleen een vast doel als dat voor de oefening noodzakelijk is.

De verlichting kan ingesteld worden voor een half veld of het hele veld.

  1. Alleen de trainer mag de verlichting bedienen.
  2. De verlichting pas aanzetten als de training gaat beginnen.
  3. Als je op een half veld mag trainen, zet je de verlichting ook alleen voor dat deel van het veld aan.
  4. Na de training de verlichting zo snel mogelijk uitzetten, ook als op het andere deel van het veld nog wordt getraind.

Tijdens wedstrijden heb je als leider/trainer ook de zorg voor het veld.

  1. Alleen spelers, reserves, leiders, trainers en andere wedstrijdofficials horen op het veld. Geen publiek.
  2. Het is aan te bevelen tijdens de wedstrijdcoaching schoenen met noppen te dragen.
Delen

voeg je eigen gadgets toe aan deze pagina!